Lassie

Boem. En daar is Lassie.

Rennend over groene velden met wapperende manen, zijn spitse snuit fier in de lucht. Zigzaggend door steegjes, overleggend met andere honden over wat het beste is om te doen, of niet te doen. Hij maakt vrienden. Vijanden. Hij sluit zichzelf op. En ontsnapt: met zijn machtige poten graaft hij de aarde weg, als een mijnwerker met een ontembare levensdrift. ‘Kijk me gaan’ zie je hem denken terwijl hij alweer over de groene velden draaft, ‘kijk me dan toch gaan! Ik ben de slimste hond van allemaal!’

Hij blaft nog een keer naar de camera.

‘Ik wil ook een hond,’ zeg ik dweperig tegen geliefde L. die onderuitgezakt naast mij op de bank zit en zijn bord hutspot opzij schuift.

‘Je bent bang voor honden.’

‘Maar met Lassie zou alles anders zijn.’

Want Lassie zou me opwachten als ik klaar was met mijn werk; blaffend en kwispelend zou hij bij de poort staan, waar hij zelf was heen gerend. Ik zou fietsen en hij zou ernaast rennen, met zijn staart zwiepend in de lucht. We gingen naar het park waar ik in het gras zou gaan liggen en hij zijn forse voorpoten liefdevol om mij heen zou slaan. Ik zou zijn haren kammen. Hij zou mijn schoenen schoonlikken.

We zouden samen naar de volle maan blaffen. Als wolf en mens en hond tegelijk.

Ik zou willen dat Lassie van mij was.

Lassie3_4

Avocado

Voorzichtig laat de jongen van de supermarkt de avocado’s door zijn handen rollen, alsof het breekbare eieren zijn.

‘Je moet er niet zo in knijpen,’ zegt hij streng terwijl ik mijn duim stevig in de grootste avocado zet, om te voelen of hij al rijp is.

‘Sorry,’ zeg ik.

‘Als je zo hard knijpt dan zijn ze morgen al beurs.’

Drie treetjes avocado’s had hij voor mij van achteren gehaald, omdat de rest nog niet rijp was.

‘Ik wil vanavond een salade maken,’ had ik hem zorgelijk toevertrouwd. Hij had het begrepen.

De hand van de jongen draait de avocado om en om. Hij weegt hem. Houdt hem omhoog en kijkt ernaar, zorgvuldig.

‘Deze misschien?’ en hij overhandigt de avocado.

‘Is dit alles wat je hebt?’ vraag ik.

Het is een jonge jongen. Misschien nog geen vijftien jaar oud. Marokkaanse ouders, waarschijnlijk. Hij heeft een verlegen lach, maar zijn aanraking met deze groente is allang volwassen.

‘Je moet geduld hebben,’ zegt hij en met neerslaande ogen kijkt hij naar de kapotte gympen aan zijn voeten.

Ik knik.

Baby

De huiskamer was licht - de zondagmiddagzon scheen in lange slierten door het raam. Het rook naar babyolie. Op de tafel stond een grote schaal met bonbons. Toffees.

Op de bank zat vriendin M. met leunend op haar arm, een klein mensenhoofdje.

‘Je hebt een kind,’ zei ik.

Ze knikte en tilde de baby hoog boven haar hoofd, alsof het een vogel was die ze moest leren vliegen.

Ik ging naast haar zitten en telde de vingertjes na.

‘Vijf,’ zei ik. ‘Het klopt.’

Eenentwintig jaar geleden zagen M. en ik elkaar voor het eerst. Ze droeg twee paardenstaarten en een pony die ver boven haar ogen viel. Ook had ze de Mickey Mouse trui die ik liever zelf had gehad. We zaten in groep drie en hingen elke dag op onze kop aan het klimrek. Dan keken we naar elkaar met van die bloeddooraderde ogen en naar de bomen, die ondersteboven voor ons stonden.

‘Wil je hem vasthouden?’ zei M.

De baby schudde van nee.

‘Ja,’ zei ik.

Zwaar drukte het hoofdje op mijn rechterarm, die ik onzeker omhoog hield.

‘Prrrr,’ deed ik. En ‘ffpphrrr’.

De baby lachte niet. Hij keek me alleen maar aan met zijn grote heldere ogen. Alsof hij ergens heel erg zeker van was.

De mens

‘Oh, ik heb een leuk quizje om erachter te komen wat voor mens je bent,’ riep een collega.

Ik begon er onmiddellijk aan want ik ben gek op quizjes. Daarbij ontvang ik graag een pasklaar antwoord op de vraag wat voor mens ik ben, want na een monologue intérieur die nu al ruim 27 jaar aanhoudt ben ik daar nog steeds niet achter.

‘Ik ben een kosmopoliet!’ riep ik na krap tien minuten.

De open en kritische wereldburger die postmoderne waarden als ontplooien en beleven integreert met moderne waarden als maatschappelijk succes, materialisme en genieten.

Daaronder stond een plaatje van een zwarte bureaustoel en een open haard geflankeerd door een somber kijkende Boeddha, dat zich als geheel aan mij voordeed als een luxueus ingericht crematorium, maar wat ongetwijfeld de ideale leefomgeving van de kosmopoliet moest voorstellen.

Op nummer 2 stond Postmaterialist en op nummer 3 Postmoderne hedonist. Hekkensluiter was nummer 8: Traditionele burgerij.

‘Jij heb traditionele burgerij zeker als laatste staan?’ mompelde mijn collega vanachter haar computerscherm terwijl ik nog steeds twijfelachtig staarde naar het plaatje van de zwarte bureaustoel, de open haard, de somber kijkende Boeddha… enfin.

‘Ja…’ zei ik zacht en vroeg me af wat ze daarmee bedoelde; was ik soms het soort mens dat uitstraalde geen traditionele waarden te kennen? Plotseling baalde ik daar heel erg van.

Ondertussen waren ook mijn andere collega’s begonnen met het quizje.

‘Ik ben Opwaarts Mobiel!’ riep iemand. ‘Ik ben een Postmoderne Hedonist!’ schreeuwde iemand anders.

Na een kwartier wisten we allemaal wat voor mens we waren. Maar het riep alleen nog maar meer vragen op.

Maak hier het quizje

Wegwerkzaamheden II

Enkele dagen geleden schreef ik wat lichte huiskamerpoëzie over de werkzaamheden voor ons huis. Maar het is natuurlijk een ramp.

Elke ochtend kijk ik op tegen de opengereten ingewanden van onze ooit eens zo aantrekkelijke straat, terwijl ik roerend in mijn potje thee achter het keukenraam door verschillende wegwerkers wordt aangestaard. Erg vreemd is dat niet aangezien ik meestentijds in een badjas, een nonchalant omgeslagen lendendoekje of gewoon in mijn nakie rondloop waardoor de werklui mij met rondtollende ogen en ingespannen gezichten bekijken terwijl hun drilboor langzaam maar trefzeker tussen het asfalt verdwijnt.

En of dat allemaal nog niet erg genoeg is, staat er ook elke dag een verkeersregelaar bij.

U weet wel, zo’n eenzelvig figuur met een tragische oogopslag waar een levensgeschiedenis van weggelopen echtgenotes en huisdieren in verborgen ligt. Daarbij staat het woord ‘VERKEERSREGELAAR’ in zulke koeienletters op zijn jas geschreven alsof hij zichzelf en anderen nog altijd aan zijn taak moet herinneren.

Zijn taak is om de trams voor onze deur de juiste kant op te sturen maar aangezien tramconducteurs én Amsterdams én dus stronteigenwijs zijn en als vanouds gewoon hun eigen tramrails volgen, eindigt het een en het ander al snel in een hopeloze zaak. Eén keer is een verkeersregelaar bijna aangereden toen hij nietsvermoedend een sjaggie stond te draaien.

Maar goed, vandaag is het zondag en de kranen staan verveeld op hun lauweren te rusten; er klinkt geen fluitje van een verkeersregelaar en onder onze voeten wacht de grond als bevroren op beweging. Ik loop nog een keer voor het keukenraam en laat mijn badjas openvallen. Gewoon omdat het mag vandaag.

Wegwerkzaamheden

Buiten trilde het asfalt verder omhoog.

Van wegwerkers en kraanverkeer. Buitelend

door dubbelglas het keukenraam in.

Die dag zag ik

hoe geluid door appelsap zwom

zich traag langs pannen omhoog klom om over

scheve deksels alles tot beweging te roeren.

En dan buiten,

daar staarden wegwerkers naar de grond,

niet wetend van hier

van voorbij de ramen

van het huis dat ver boven hen stond.

Hoe ze daar een nieuw geluid aanboorden.

Nee.

Ze keken naar beneden of ze daar iets zochten

wat iemand ooit onvindbaar vond.

Verjaardagsfeest

In mijn eentje zat ik aan de meterslange eettafel met zeker twintig lege stoelen om mij heen.

‘Denk je dat we genoeg stoelen hebben?’ vroeg iemand zich bezorgd af. Het was de vader van geliefde L., die telkens af en aan liep met houten stoelen die hij uit de schuur tevoorschijn sleepte.

‘Volgens mij hebben we er wel genoeg,’ zei ik terwijl ik bedachtzaam in mijn kopje thee roerde.

We vierden een verjaardagsfeestje in de kleine Noord-Hollandse boerengemeenschap M.; op de melkveehouderij kwam iedereen samen voor de verjaardag van het broertje van geliefde L. Hij had stenen klompen gekregen en we aten taart.

‘He ouwe!’ riep een licht gezette jongen die kwam binnengelopen. Hij had kort stekeltjeshaar dat glom van de gel en droeg een treetje van zes flesjes bier aan één pink. Zijn witte longsleeve t-shirt spande strak om zijn buik.

Hij ging zitten op de eerste lege stoel en trok een biertje open.

Langzaam kwamen er steeds meer jongens binnen met gel in hun haar en flesjes bier aan hun pink.

‘Hoe is het met Rob?’ zei het broertje (Rob kan trouwens ook ingewisseld worden voor Mark, Steven. Of Anton. Ik ben heel slecht met namen.)

‘Ja, met hem is het oké…’ antwoordde de jongen die links tegenover mij aan de tafel zat en telkens ploppende bewegingen maakte met zijn wijsvinger in de hals van het bierflesje. ‘...Maar wist je het al van zijn broertje?’

‘Die van… hoe heten ze ook alweer?’

‘Ja, van de buren van…’

‘Oh die ja.’

‘Nou, hij is dus Moslim geworden.’

Ik veerde omhoog op mijn stoel. Het gesprek kon altijd nog een onverwachte wending nemen en op de een of andere manier zag ik het onverwachte weer zoals verwacht aankomen.

‘Is hij Moslim?’ lachte het Broertje hard.

‘Ja, hij is getrouwd met die ene.. nou ja, en nu is hij dus Moslim.’

Wij lachten mee om de Hollandse boer die Moslim was geworden. We vonden het geweldig.

‘En met wie is hij dan getrouwd?’ vroeg geliefde L. die inmiddels naast mij was gaan zitten.

‘Met Fatiha!’

‘Fatima?’

‘Nee FatiHA!’

‘Ja!’

Daarna begon iedereen weer te lachen en bier te drinken want meer viel er uiteindelijk ook weer niet over te zeggen.

Het was een heel gezellige verjaardag.

Van de wereld

Om 07.10 sloeg ik de wekker uit – ‘wat verschrikkelijk’ – en struikelde naar de ijskoude douchecel waar ik onafgebroken naar de wit plastic bak onder mijn voeten staarde. Ik was vergeten mijn handdoek mee te nemen.

Die avond daarvoor waren we met onze huurauto over de Duitse Autobahn naar onze Duitse bungalow gereden. Terwijl mist en sneeuw zich voor onze auto uitstrekte verdwenen de witte middenstrepen onder ons langzaam in het donker. Er stonden geen lantaarns langs de weg.

‘Het is alsof ik naar het einde van de wereld rij,’ zei collega L. die met samengeknepen ogen achter het stuur zat. ‘Alsof we zo naar beneden kunnen vallen.’

De auto – onze auto had geen velgen - klom omhoog en zakte weer naar beneden, alsof hij zichzelf gedachteloos door de aarde liet dragen. Wij bewogen mee.

‘Waarom is het hier ook zo donker?’ zei collega N. die op de achterbank zat en ondertussen achter het helverlichte scherm van haar laptop werkte.

Ik draaide me naar haar om: ‘Misschien bezuinigt Duitsland op energie?’

‘Het scheelt wel,’ zei N., ‘stel je eens voor dat je al die wegen moet verlichten.’

We keken weer voor ons uit en zagen hoe het donker steeds sneller op ons afkwam. De zwarte bergen sloten nauw om ons heen. Het was vreemd om ergens te rijden waarvan je niet wist waar je uit zo komen; ik wist niet meer hoe het voelde om in het donker te bewegen.

‘Ik heb altijd in de veronderstelling geleefd dat Duitsland lantaarnpalen had,’ zei ik na een lange stilte.

Mijn collega’s, die schimmen waren geworden, knikten gedachteloos.

Pas uren later stonden we voor onze Duitse bungalow; er was niemand op het park, om ons heen stonden ontelbaar veel bomen en in de verte blafte een hond. De maan hing hulpeloos licht boven ons.

Misschien waren we toch van de wereld gevallen.

Onderduikers

In een verlaten restaurant aten we kipsaté terwijl buiten het bungalowpark zich donker en onheilspellend om ons heen boog.

We spraken nu al ruim een kwartier over de oorlog.

‘Een zus van mijn opa fietste het hele land door om voedsel aan onderduikers uit te delen,’ vertelde collega L.

‘Was ze joods?’ vroegen we en leunden nieuwsgierig over de tafel.

‘Niet dat ik weet.’

‘Fantastisch toch,’ riepen we, ‘dat je zoiets doét! Voor anderen!’

‘Ja soms denk ik weleens’ zei collega L. en nam een slok wijn terwijl ze nadenkend in de verte keek, ‘mensen van onze generatie staan zo vér van de tweede wereldoorlog af. Eerlijk, wie hoor je er nu nog over?’

Een paar tafeltjes verderop stapte een bejaard echtpaar – vermoedelijk van oorlogsgerechtigde leeftijd – op van hun stoel en trokken met wilde armbewegingen een windjack aan. De dame plukte even aan de joggingbroek van haar echtgenoot; de grijze stof kroop hoog tussen zijn samengeknepen billen, alsof hij ergens bang voor was.

‘Toch heb ik mijn opa en oma nooit zo horen klagen over de oorlog,’ zei ik met gepaste trots; ik was immers ontsprongen uit een familie die zich moedig door de grillen van de tijd had heengeslagen.

‘Meen je dat?’ zei collega N. die naast mij zat.

‘Serieus. Ik kan mij er echt niks van herinneren.’

De serveerster, gekleed in een wit overhemd en een zwart schort, liep op ons af en vroeg of we ‘nog een versnapering wensten’.

‘Nee hoor,’ wuifden we haar weg. Daarna keken we hoe ook het laatste grijze echtpaar van het zaaltje de joggingbroek optrok en de weg naar buiten vond.

‘Misschien moesten we maar eens gaan?’ zeiden we zo ongeveer gelijktijdig.

Samen liepen we over de besneeuwde paden van het donkere park terwijl alle bejaarden om ons heen in hun bungalow televisie keken. Ik vroeg me af of iemand hiervoor nog wilde vechten.

Bungalow-dromen

Morgen vertrek ik voor drie dagen naar een bungalowpark.

Niet om daar in een fluorescerend trainingspak en met een bowlingbaltas eindeloos over modderige paden rond te sjokken – nou ja, ook wel – maar voor een veel groter en wellicht nobeler doel: samen met twee collega’s zal ik daar een schrijftraining geven voor de medewerkers van Landal GreenParks.

Dáárom blijven we drie dagen intern. In onze 6-persoonsbungalow. Met jacuzzi.

En aan het einde van onze werkdag mogen we ons natuurlijk ongegeneerd onderdompelen in die gillende wereld van waterspeelparadijsen, bowlingbanen, gourmet-arrangementjes, midgetgolfbanen en pony-wandeltochten...

Ik kom bij u terug.

Mijn foto

Laatste reacties

Neem inhoud van deze site over (XML)
Blog powered by TypePad