Patrick Watson

Kijk - na het lezen van 'Hoogtevrees' - vooral naar dit filmpje van Patrick Watson. Voor een totaalervaring.

Hoogtevrees

Ik dook op tussen de hoge kantoorpanden die boosaardig op mij neerkeken. Wind sloeg hard in mijn gezicht, alsof ik hier niet welkom was. Om mij heen reikten kantoorramen tot aan de hemel. Daarachter zaten mensen te werken in tl-licht en met planten op de vensterbank. Hier werkten de mensen zichzelf de hoogte in.

Stevig stapte ik door. Ik was al bijna te laat.

Bij het witte kantoor moest ik door een schuifdeur die niet open wilde. De portier kwam naar mij toe om de deur open te doen.

‘Hij wil niet,’ zei hij en schoof kreunend de deur open.

In de wachtkamer mocht ik gaan zitten op een grote groene stoel waarin ik bijna verdronk. Voor mij op de tafel lagen de tijdschriften Beleggers Belangen en Fiscaal Rendement. Stil staarde ik uit het raam en dacht aan de hooizolder bij mijn eerste verzorgpony. Ik probeerde de geur van hooi voor mij te halen.

‘Mevrouw Jonkman?’ riep een dame. Ik mocht meekomen. Samen zoefden we in de lift omhoog, naar de hemel, waar de mensen werkten.

In de hemel zaten twee heren in een witte kamer op mij te wachten. Aan de muur hing een klein schilderijtje waarop stond ‘De klim van het ondernemen’ met daaronder een hoge berg getekend. Daar moesten ze elke dag naar kijken. Hoe ze zichzelf de hoogte in konden krijgen.

Het niets

Ik had al de hele avond als een waanzinnige staan zweten toen de jongen naast mij kwam staan. Hij strekte zijn vinger naar mij uit, legde hem in mijn natte nek en stak hem toen in zijn mond. Hij likte langdurig aan zijn vinger dat droop van mijn zweet.

‘Lekker,’ zei hij.

Daarna klonk er een nummer van ACDC uit de boxen en schreeuwde ik mijzelf een weg het zaaltje uit. Ik ging zitten op de houten trappen van het oude krakerspand en dacht aan Martin Heidegger en zijn boek ‘Zijn en tijd.’ Met holle ogen staarde ik voor mij uit en overdacht wat hij bedoelde met ‘bestaan is je richten op het niets.’

Ondertussen liepen grote schoenen en scherpe hakken langs mij heen de trap op, alsof ik onzichtbaar was. Een miersoort dat vertrapt moest worden.

‘Wat ben je aan het doen?’ vroeg een vriend die naar de wc moest en mij daarbij toevallig passeerde.

‘Niets,’ zei ik omdat ik niet helemaal wilde liegen en Heidegger ook nog een laatste eer gunde. ‘Ik ben bezig met niets.’

De vriend ging weer weg omdat mensen nu eenmaal heel erg zenuwachtig worden van niets. Er moet altijd iets te blijven doen. Als het maar in niets op niets lijkt.

Ik vroeg me af of Duitse filosofen als Heidegger ook naar discofeestjes gingen in oude krakerspanden. Of ze zich ook door lelijke mannen het zweet van hun lichaam lieten likken.

‘He, ben jij niet het meisje van het zweet?’ hoorde ik plotseling een jongen zeggen. En ja hoor, het was De Vinger.

‘Kom er maar naast zitten,’ zei ik tegen De Vinger. Het maakte me opeens allemaal niets meer uit.

De Vinger klom de trap op en ging naast mij zitten. Mensen liepen mopperend om ons heen.

‘Waarom likte je nou net aan je vinger?’ vroeg ik na een tijdje aan De Vinger.

‘Dat weet ik eigenlijk niet,’ zei hij. ‘Ik weet niet waarom ik dat deed.’

We keken in de verte en zagen hoe de andere mensen feestvierden. Samen keken we minutenlang naar het niets dat voor ons lag.

Toen gingen we allebei weer onze eigen weg.

The Temper Trap

Weinig tijd deze week voor schrijven. Daarom; muziek! Een fantastisch bandje dat ik afgelopen zomer op Lowlands heb gezien. De zanger ziet eruit als een accountant en heeft een bizar hoge stem. U begrijpt, ik was om. En nu hebben ze een hitje. Zet hem hard! ......The Temper Trap

Thuis en weer verder

En we gaan weer verder met thuis, want daar valt ook genoeg te beleven.

Egypte V – De hotelgasten

Het hotel bestond uit kristal, geslepen marmer en opgepoetst koper.

Daarom keken we liever naar de mensen die in het hotel rondliepen. Ze waren altijd anders.

‘Het is geen schoonheid,’ zei mijn moeder over een vrouw die langzaam onze tafel voorbij zwoegde. Gelijktijdig draaiden we onze hoofden om naar de vrouw: een ruimvallend achterwerk spande in een nauwsluitend wielrenbroekje.

‘Ze is Nederlands,’ voegde mijn moeder eraan toe, die op de een of andere manier altijd gedetailleerde achtergrondinformatie van de andere hotelgasten weet te verzamelen.

‘Ze is een schande voor ons vaderland,’ zei ik en ik at weer verder van mijn spaghetti bolognese.

Daarna waren we een tijdje stil.

Totdat mijn vader plotseling zei: ‘Die man eet ook veel.’

‘En hij is zo mager,’ viel mijn moeder in.

‘Welke man bedoel je?’ vroeg ik en keek nieuwsgierig in het rond. ‘Waar?’

‘Die man die daar alleen in de hoek zit,’ priemde zus M met haar vinger in de verte. ‘Aan dat tafeltje in de hoek.’

‘Gisteravond schepte hij zijn bord ook al helemaal vol,’ zei mijn moeder. ‘Het is gigantisch wat die man allemaal eet.’

‘Waar komt hij vandaan?’ vroeg ik aan mijn moeder.

‘Hoe moet ik dat weten?’ antwoordde ze.

Ik haalde mijn schouders op. ‘Dat kán toch, dat je dat weet.’

‘Ik weet het niet.’

Naast mij hoorde ik geliefde L. heel lang en diep zuchten.

De magere man ging staan. Hij had zijn bord leeg.

‘Moet je dan toch kíjken!’ riep mijn moeder uit, ‘hij heeft geen vet meer aan zijn lijf. God, wat is die man mager.’

‘Het lijkt me een heel aardige man,’ zei ik.

‘Wil er iemand nog wat eten?’ vroeg geliefde L. plotseling.

‘Nee hoor jongen, bedankt,’ zei mijn vader.

Toen ging geliefde L. in zijn eentje met zijn bord langs het lopend buffet. Licht gebogen liep hij aan ons voorbij, in de hoop dat er niet over hem gesproken zou worden.

Egypte IV – De piramides van Gizeh

Hicham stopte het taxibusje in één van die stoffige buitenwijken van Cairo waar onthoofde schapenkoppen en hongerige kinderhoofdjes je vanaf elke straathoek aanstaarden. We waren op weg naar de piramides.

‘Jullie gaan paardrijden’, zei Hicham toen hij uitstapte en sloeg op de zwetende flank van een paard dat naast het taxibusje stond te wachten. Hicham besliste alles voor ons. In de zeven dagen dat we ons in zijn taxibusje door Cairo lieten rondrijden hadden we geluncht bij zijn goede vriend, knopen gemaakt in het weefgetouw van zijn broer en in een vervallen graftombe naar een waardeloze wandschildering staan staren. Wij betaalden hem daar rinkelende Egyptische ponden voor.

‘Ik ga echt niet op een paard,’ reageerde zus M. met harde stem en samen met mijn vader ratelde ze er niet veel later in een koetsje vandoor.

Zo bleven mijn moeder, geliefde L. en ik over. Kamelen en paarden scheerden in het achterafstraatje aan ons voorbij.

‘Dit is braaf paard,’ zei een man met bruin oogwit. Hij sloeg een teugel over de magere hals van een paard dat met malende bewegingen op een stukje hooi stond te kauwen. Hij ontblootte zijn boventanden toen hij mij zag staan.

Ongemakkelijk – ik droeg slippers en een lange rok – hees ik mijzelf op het paard dat onmiddellijk rondjes achteruit begon te lopen, als stond hij in de piste van een circus.

‘Is braaf paard,’ herhaalde de paardenman en sloeg daarna het paard – ‘sjiet sjiet’- met een lange zweep op zijn billen. Paniekerig begon het paard door de nauwe straatjes van Cairo te draven.

‘Sorry’ riep ik naar een grote Egyptische man die mij al tabakkauwend maar stilzwijgend op zijn kameel passeerde. Ik had hem geschampt met de beugel van mijn zadel.

Ik begon aan de teugels te trekken waarop mijn paard een kleine piaf maakte op zijn standplaats. In de verte zag ik mijn moeder en geliefde L. langzaam op mij afkomen. Als een klein leger.

‘Ze noemen mij een koningin’, zei mijn moeder toen ze voor mij stond. Ze was helemaal in het wit gekleed en haar grote zwarte zonnebril flikkerde in de zon. Ze werd geflankeerd door vier paarden en een loopknecht die op blote voeten naast haar liep.

‘Wij vinden je allemaal een koningin,’ zei ik mijn moeder.

Samen liepen we verder en de woestijn kwam in zicht. Ik wilde al voorzichtig een drafje inzetten maar –

‘Eerst controle,’ zei de paardenman.

Hij wees naar een officier die middenin de woestijn op een gammel stoeltje zat. In zijn handen hield een kleine metaaldetector. De officier had een snor en sombere ogen.

Hij gebaarde dat we moesten afstappen. Behalve mijn moeder, want dat was de koningin.

En daar, op die lege woestijnvlakte, werden we met een metaaldetector gescand. Want wie kon ons zeggen dat wij géén terroristen waren die in naam van Allah de piramides van Gizeh wilden opblazen?

De officier vond alleen een zakmes.

‘Maar die is van mijn opa geweest,’ zei L. en toen mochten we weer gaan. Goudgeel woestijnzand knisperde ongeduldig onder de hoeven van onze paarden. In de verte leunden de piramides zijn aan zij tegen de horizon.

‘Galop!’ riep L. plotseling en hij stoof er met zijn paard vandoor. Mijn paard ging daar achteraan want het zijn nu eenmaal kuddedieren met weinig empathie voor de fijngevoeligheid van de mens. Ik drukte mijn slippers diep in de ribben van het paard. Toen we weer stilstonden ging het paard van L. liggen.

‘Hij ging bijna op mijn voet liggen,’ zei L. geschrokken.

Even verderop kwam mijn moeder met haar loopknecht aandraven.

‘Iedereen noemt mij hier een koningin!’ riep mijn moeder.

Daarna wilde ik rustig in een graftombe gaan liggen. Om als een mummie te dromen van de oneindigheid.

Egypte III - Het museum

Een straal van oud licht viel vanuit het dakraam op de sarcofaag van Toetanchamon. Een groep Amerikaanse toeristen liep verveeld voorbij, alsof het verleden slechts iets is wat je moet passeren.

De telefoon van de vrouw die vooraan liep, ging over.

Zou het Toetanchamon zijn? dacht ik even. Een telefoontje vanuit het hiernamaals om ons eraan te herinneren dat hij nog altijd op ons wacht.

“Hello?” zei de vrouw die grote witte sportschoenen droeg. Ze zag eruit alsof ze elk moment kon wegrennen. “Hello?” hoorde ik haar nog een keer zeggen. Ze klapte de telefoon dicht. “Wrong number, I guess.”

Toetanchamon wachtte een beter moment af.

Ik liep verder door de lange brede gangen van het museum en drukte mijn neus dicht op het beduimelde glas, waarachter de kleinste sarcofaag van Toetanchamon stond opgesteld. Hierin lag het lichaam in lappen gewikkeld. In gedachten probeerde ik de hiërogliefen te ontcijferen die in het bladgoud waren gegraveerd. Ik zag een zittende vogel, een slang, een landbouwer, een vliegende vogel, een slang, een zweep, een mens met een zwaard en de zon. Hier stond iets dat drieduizend jaar geleden aan ons verteld moest worden, maar ik kon het niet meer verstaan.

Ik keek naar het stoffelijk overschot van het hiervoormaals. Er was een tijd tussen ons ingekropen die zich niet meer liet verstaan. De tijd was een museum geworden.

Egypte II – De Taxi

Toen we bij de man een taxi wilden bestellen trok hij zijn revolver.

“Laten we maar een andere taxi nemen”, zei mijn moeder.

“You’re safe with me”, lispelde de man met bruingeslagen tanden. Zijn falafeladem sloeg murw in ons gezicht.

“Laten we maar op je vader wachten”, sprak mijn moeder tot mij en draaide zich resoluut om.

Aan de overkant van de snelweg – waar het verkeer onder een toeterende wolk van smog voortraasde – zagen we mijn vader druk in gesprek met een kleine Egyptische man. Het verkeer schoot in kogels langs hem heen waardoor mijn vader, zo verloren aan de andere kant van de weg, iets weg had van aangeschoten wild.

Hij zwaaide blijmoedig toen hij ons zag staan.

Daarna liep hij ons weer tegemoet en doorkruiste daarbij vervaarlijk het voorbijrazende verkeer.

“Misschien heeft pappa wel een taxi gevonden”, zei mijn moeder hoopvol.

Ik knikte, omdat ik mijn moeder nu eenmaal altijd het beste gun. “Dat zou mooi zijn”, zei ik instemmend.

“Heeft pappa nu al een taxi?” hoorden we zus M. zeggen die geparkeerd op een achterafje al een tijdje met al onze bagage, gehangen aan haar rolstoel, op ons stond te wachten.

“Ik geloof dat hij iets geregeld heeft”, zei ik en wees naar mijn vader. Triomfantelijk stak hij zijn duim in de lucht.

“Het is geregeld!” riep mijn vader en wees toen naar de kleine Egyptische man die achter hem stond.

“Come come”, zei de kleine Egyptische man en dirigeerde ons naar zijn taxi: een kleine ingedeukte Peugeot waar de uitlaat als een hijgende tong onderuithing.

Het was onmogelijk dat wij met z’n allen in deze taxi pasten.

“En hoe gaan we dat met mij doen?” vroeg zus M., gedecideerd ineens, en wees naar haar rolstoel.

Die gaat op het dak, gebaarde de kleine Egyptische man. Daarop werd de rolstoel zonder omhaal op het dak gehesen en vastgebonden met een klein wollen draadje.

“Very tight”, zei de kleine Egyptische man tegen mijn vader en trok even aan het draadje. “Very tight.”

Goedkeurend knikte mijn vader terug.

We stapten in de taxi en zochten een plek op de achterbank. Onze zweterige lichamen plakten tegen elkaar op. Alleen mijn moeder had een mooie plek gevonden. Op het eenzittertje achter ons lachte ze ons tevreden onderuitgezakt en vanonder haar grote zwarte zonnebril toe.

“Ik zit hier prima”, zei ze. “Mij krijgen ze hier niet weg.”

Daarna startte de kleine Egyptische man de motor en kwamen we langzaam in beweging. Smog sloeg via de openstaande ramen naar binnen. De rolstoel hoorden we krassen op het dak. De autobanden draaiden wiebelig onder onze billen.

“Het is net of we op vier losse wielen rijden”, zei mijn vader nog.

Daarna verloren we onszelf in het verkeer van Cairo dat toeterend aan ons voorbij reed, alsof we hier voor de eerste keer werden gezien.

In de herhaling

Vergeet vooral niet vandaag vóór vannacht twaalf uur te stemmen op Roezemoezen voor de Dutch Bloggies!
Ja, dat kunnen we.

Mijn foto

Laatste reacties

Neem inhoud van deze site over (XML)
Blog powered by TypePad