Lassie
Boem. En daar is Lassie.
Rennend over groene velden met wapperende manen, zijn spitse snuit fier in de lucht. Zigzaggend door steegjes, overleggend met andere honden over wat het beste is om te doen, of niet te doen. Hij maakt vrienden. Vijanden. Hij sluit zichzelf op. En ontsnapt: met zijn machtige poten graaft hij de aarde weg, als een mijnwerker met een ontembare levensdrift. ‘Kijk me gaan’ zie je hem denken terwijl hij alweer over de groene velden draaft, ‘kijk me dan toch gaan! Ik ben de slimste hond van allemaal!’
Hij blaft nog een keer naar de camera.
‘Ik wil ook een hond,’ zeg ik dweperig tegen geliefde L. die onderuitgezakt naast mij op de bank zit en zijn bord hutspot opzij schuift.
‘Je bent bang voor honden.’
‘Maar met Lassie zou alles anders zijn.’
Want Lassie zou me opwachten als ik klaar was met mijn werk; blaffend en kwispelend zou hij bij de poort staan, waar hij zelf was heen gerend. Ik zou fietsen en hij zou ernaast rennen, met zijn staart zwiepend in de lucht. We gingen naar het park waar ik in het gras zou gaan liggen en hij zijn forse voorpoten liefdevol om mij heen zou slaan. Ik zou zijn haren kammen. Hij zou mijn schoenen schoonlikken.
We zouden samen naar de volle maan blaffen. Als wolf en mens en hond tegelijk.
Ik zou willen dat Lassie van mij was.



Laatste reacties